Permalink
Author: Don Fabulist
In de dorpspolder van Zwankendamme woonde boer Niels in een boerderijtje. Vroegtijdig stierf zijn levensgezellin enkinderen liet ze hem niet na. Na de dood van zijn vrouw verwaarloosde Niels de landerijen. e boerderijdieren deed hij van de hand, maar van de ezelin Brenda kon hij geen afstand doen. Bij versomberd gemoed bleef zij zijn lichtpunt.
Toch mocht niet gezegd worden dat de eenzaat het zonder menselijke vriendschap stellen moest. Vooral in de kroegen was hij een graag geziene gast. Met Niels onder het avondlijk cafédak draaide de donkerste stemming naar een zonnige zijde. Met Niels aan de toog verbroederden zich de ergste vijanden. Velen waren dan ook diep geschokt door het drama dat tijdens een decembernacht plaatsvond.
In zijn stamstaminee zette Niels een punt achter een avondje zwalken. Hij luidde er de klepelklok voor een laatste rondje, dronk er zijn pint leeg en nam er uitbundig afscheid van vrienden en vriendinnen. Zijn opgewektheid kende een nooit gezien hoogtij.
“Met zijn vrolijkheid wilde hij verbergen wat hij doen ging,” zeiden de polderbewoners naderhand.
Hun besef kwam te laat. De volgende dag werd Niels thuis dood aangetroffen. Gekoord hing hij koud aan de zolderingbalk. Niemand kon diep genoeg in het eenzame mensenhart kijken. Daarom kon ook niemand begrijpen wat Niels bewoog om zo gruwzaam heen te gaan. Read the rest of this entry »
onderschikt in:1s NL, 2B Fiction, Authors, Don Fabulist, Short Story , Dirk Sluys, Ontmoetingen, Parabel, Verhaal, Verhalen
Permalink
Author: Don Fabulist
In een hut aan het strand van de zee huisde een visser. Om de zee te bevaren had hij slechts een roeiboot. Om te vissen bezat hij enkel een hengel. De visser was arm.
De visser droeg een klak. Terwijl de meeste vissers de klak recht op het hoofd hadden staan, stond zijn klak scheef. Daarom werd hij Scheve Klak genoemd.
Scheve Klak was de armste van allemaal, maar als hij op de zee roeide en de zon haar gouden stralen over het watervlak uitgoot, dan dacht hij: hoeveel mensen mogen er zeggen dat ze varen op een zee van goud?
Landinwaarts woonde een heer. De landerijen uit de wijde omtrek behoorden hem toe. De schepen op de zee waren zijn eigendom. De heer was rijk.
De rijke heer droeg een hoge hoed. Omdat hij als enige een hoge hoed droeg, noemde men hem Hoge Hoed.
De boeren boerden voor Hoge Hoed. De vissers visten voor hem. Alleen Scheve Klak viste niet voor Hoge Hoed. Dat was dan ook de reden waarom Scheve Klak de allerarmste was.
Hoge Hoed kende slechts één bezigheid: tellen. Hij nam een goudstuk tussen duim en wijsvinger, hield het voor de ogen, telde het bij een optelsom op en gooide het bovenop een goudstukkenstapeltje.
Hoge Hoed geraakte niet uitgeteld. Het stapeltje werd een stapel. Hij telde en hij telde. De stapel verhoogde tot een bergje. Hij cijferde en hij cijferde. Het bergje groeide uit tot een berg. Read the rest of this entry »
onderschikt in:1s NL, Authors, Don Fabulist, Short Story , Don Fabulist, Ontmoetingen, Sprookje, Verhaal, Verhalen, Vissersverhaal
Recente reacties