De Voorstad groeit

Hoge Hoed en Scheve Klak

Permalink

Author: Don Fabulist

sea_cleaning_fishIn een hut aan het strand van de zee huisde een visser. Om de zee te bevaren had hij slechts een roeiboot. Om te vissen bezat hij enkel een hengel. De visser was arm.

De visser droeg een klak. Terwijl de meeste vissers de klak recht op het hoofd hadden staan, stond zijn klak scheef. Daarom werd hij Scheve Klak genoemd.

Scheve Klak was de armste van allemaal, maar als hij op de zee roeide en de zon haar gouden stralen over het watervlak uitgoot, dan dacht hij: hoeveel mensen mogen er zeggen dat ze varen op een zee van goud?

Landinwaarts woonde een heer. De landerijen uit de wijde omtrek behoorden hem toe. De schepen op de zee waren zijn eigendom. De heer was rijk.

De rijke heer droeg een hoge hoed. Omdat hij als enige een hoge hoed droeg, noemde men hem Hoge Hoed.

De boeren boerden voor Hoge Hoed. De vissers visten voor hem. Alleen Scheve Klak viste niet voor Hoge Hoed. Dat was dan ook de reden waarom Scheve Klak de allerarmste was.

Hoge Hoed kende slechts één bezigheid: tellen. Hij nam een goudstuk tussen duim en wijsvinger, hield het voor de ogen, telde het bij een optelsom op en gooide het bovenop een goudstukkenstapeltje.

Hoge Hoed geraakte niet uitgeteld. Het stapeltje werd een stapel. Hij telde en hij telde. De stapel verhoogde tot een bergje. Hij cijferde en hij cijferde. Het bergje groeide uit tot een berg.

Hoge Hoed peinsde: wie mag er zeggen dat hij kan blijven rekenen aan zijn berg van goud?

Tijdens een pauze bekeek de cijferaar de omgeving met haar weilanden en haar akkers. Hij overzag de zee met haar schepen. Toen grabbelde hij uit zijn hoed een idee.

‘Ik verkoop mijn eigendommen,’ mompelde hij. ‘Met het goud dat ik daarvoor krijg, kan ik mijn berg nog verhogen.’

Hij verkocht gronden en boten. Weerom stapelde hij goudmunt op goudmunt. Toch kwam de dag dat hij de laatste blinker op de hoop dropte. De rijkaard kwam uit op een getal, zo groot dat hij het nauwelijks in zijn hoofd kon opslaan.

Hij wist het zeker. De rijkste dat was hij. Hij bezat de hoogste goudberg!

Gouden Zee

Gouden Zee

Hoge Hoed zat genoegzaam van op zijn berg te kijken naar de zee. Op het water langs de kust ontwaarde hij een bewegende stip. Het was Scheve Klak die naar een visje hengelde.

‘Hoe kan dat nu?’ ontviel Hoge Hoed. ‘Verkocht ik niet alle vaartuigen aan reders uit verre landen? Wat vaart er dan nog eentje? Wie dobbert daar op de zee?’

De nieuwsgierigheid knaagde aan Hoge Hoed, maar hij durfde de goudberg niet te verlaten. Hoge Hoed bleef op zijn honger zitten. De rijkste zat, dag in dag uit, op zijn goud.

Op een schone namiddag wandelde Scheve Klak langs de goudberg. Hij stopte en hij keek opwaarts. Daar merkte hij een ietwat magere Hoge Hoed.

‘Wat zit gij daar te zitten?’ wierp Scheve Klak naar boven.

‘Ik bewaak mijn goud,’ gooide Hoge Hoed naar beneden.

‘Waarom moet gij goud bewaken?’ riep Scheve Klak.

‘Omdat ik de rijkste ben,’ schelde Hoge Hoed. ‘Iedereen kan dat zien. Daarom kan iedereen met mijn weelde gaan lopen. Om dat te beletten, moet ik op mijn goud letten.’

‘Ik ben rijker dan gij. Nochtans ga ik waar ik wil,’ sprak Scheve Klak.

‘Gij rijker dan mij?’ sneerde Hoge Hoed. ‘Niemand kan naast mijn rijkdom kijken. Als een berg staat die boven allen. Mij dunkt dat er van uw rijkdom niet veel te merken valt!’

‘Uw rijkdom toont zich als een berg van goud,’ wist Scheve Klak. ‘Ik zie het einde van uw rijkdom. De mijne laat zich zien als een zee van goud. Ik ken het einde van mijn weelde niet.’

‘Een zee van goud?!’ kreet de goudaanbidder. ‘Zoveel is zelfs niet in te schatten.’

‘Het is onschatbaar,’ beaamde de visser.

‘Kan ik dat ook verwerven, een zee van goud?’ vroeg Hoge Hoed hoopvol.

‘Wanneer ge uw goudberg achterlaat, ligt de zee van goud zomaar voor u klaar,’ antwoordde Scheve Klak.

Een zee van goud, een zee van goud, een zee van goud, maalde het onder de hoge hoed van Hoge Hoed. Wat verlies ik ermee als ik met het vissertje meega? Ik kan er alleen maar bij winnen. Een zee is tenslotte zoveel groter dan een berg.

De goudbergbezitter schoof op zijn achterste naar beneden.

Hoge Hoed ging met Scheve Klak mee. Tegen de vooravond arriveerden ze op het strand. De zakkende zon strooide een oogstrelend verguldsel over de zee.

‘Zie,’ vezelde Scheve Klak, ‘de zee van goud.’

De rijkaard wilde wat zeggen. De woorden bleven kleven in zijn keel. Met open mond en met woest wordende ogen gaapte hij naar het gegolfde water. Hij liep rood aan, zo rood als een koraal.

sea_spumingMet een sprong draaide Hoge Hoed zich naar het hinterland. Hij zag dat de voorheen nog zichtbare goudbergtop verdwenen was. Vele hongerige handen hadden de munten verdeeld. Hoge Hoed staarde met radeloze kijkers. Hij verbleekte. Hij werd zo wit als het zeeschuim.

Ontdaan keek hij Scheve Klak in de ogen. Daarna blikte hij naar de zee. Als bij wonder kregen zijn wangen plots kleur. Zachtheid kroop in zijn ogen. Een glimlach bezocht zijn mond. Hoge Hoed begon te glunderen. Hij kreeg zowaar een andere uitstraling.

De oorzaak van de metamorfose bleef een raadsel. Misschien was het de bevrijding uit de angst voor het verlies van de goudberg. Mogelijk was het de zee die zijn vergrauwd bestaan verguldde.

Hoe het ook zij, Hoge Hoed en Scheve Klak werden onafscheidelijk. Ze woonden onder hetzelfde dak. Ze hengelden vanuit hetzelfde kwakkelende bootje. Ze wandelden over hetzelfde strand. Van op eenzelfde duin lieten ze hun mijmeringen op de avondzee los.

De zeebewoners kenden geen vreemder tweetal. De ene immer met een scheve klak. De andere altijd met een hoge hoed. De ene in gejutte lompen. De ander in versleten kostuum.

Maar de mensen van de zee zeiden: ‘Hoe verschillend die twee kwibussen er ook mogen uitzien, ze hebben alle twee een gouden hart.’

bootje

Naschrift van Don Fabulist

Op een dag krijsten de meeuwen. De kaaien van Oostende lonkten. Langs het Visserijdok stuitten Don Fabulist en zijn gabbers op een verstoken vissersstek.

In een kroeg genoten de dolers na van die aangename verbazing, maar subiet ontvingen ze een koude douche. De aangelanden kregen te horen dat de Belgische visserij weggevaagd dreigde te worden door de opmars van de grootschalige aquakweek. De onheilsklok luidde dat het Visserijdok binnen afzienbare tijd gedumpt kon worden. Een doorrookte stem voorspelde de ondergang van een visserscultuur…

Het gebroeze wist zich door elkaar geschud. De vissershaven van Oostende was bedreigd, maar ondanks dat woei er toch ook een opwekkende wind. Over de dokken dwaalde de poëzie; de poëzie die knarste tussen de maaltanden van de tijd, maar die tegelijkertijd in verstilde dromen aan de horizon voer.

Op de Oostendse wallen bundelde het poëtische vissersvolk de krachten met dichters, schrijvers en fotografen.

Sinds januari 2009 schrijft ook Don Fabulist voor Het VisserijBlad (HVB). In een gezamenlijke bijdrage met Kaper Peter Holvoet-Hanssen en met Flitsmatroos Jo Clauwaert brouwt hij daarin maandelijks een sprookje.

Uw vagebond zendt U het bouwsel dat van het drietal in het aprilnummer van HVB verschijnen zal, alsook in groter lettertype het lentevertelsel van Hoge Hoed en Scheve Klak.

Laat Don U nog één ding verklappen: het zou de jagers der zee een ware vreugde zijn zo ze U als abonnee van HVB mochten verwelkomen.

Daarom worden U alvast de gegevens van HVB meegegeven…

HVB

Brusselsesteenweg 12 te 8450 Bredene

het.visserijblad@telenet.be

Tel. 0474/33.88.00

Losse nummers: 2,99 euro

Jaarabonnement (12 opeenvolgend)

Gedicht van Jan Peter Holvoet in hetzelfde nummer

zeevos_small


Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op 25/03/2009 door in NL, Short Story en getagd als , , , , , .

The precautionary principle

The precautionary principle or precautionary approach to risk management states that if an action or policy has a suspected risk of causing harm to the public or to the environment, in the absence of scientific consensus that the action or policy is not harmful, the burden of proof that it is not harmful falls on those taking an action.

Categorieën

Fotos in Heirniswijk genomen

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Archief

Blog Stats

  • 12,358 hits

Sitemeter

%d bloggers liken dit: