De Voorstad groeit

Identiteit: Vlaams, Belgisch of beide?

Permalink
Published by e-zine De Groene Belg mediadoc.diva@skynet.be
Author: Etienne Vermeersch

Etienne Vermeersch

Etienne Vermeersch

Zonder vooroordelen

Om een dieper inzicht te krijgen in de problemen waarmee België momenteel wordt geconfronteerd, en die tot een splitsing kunnen leiden, is het nuttig een theoretisch onderzoek te doen naar de factoren die natievorming en nationalisme beïnvloeden en dus eventueel ook de teloorgang ervan kunnen veroorzaken. Om dit onderzoek een wetenschappelijk statuut te verlenen, moet het sine ira et studio gebeuren: men moet geen voorafgaande vooroordelen hebben betreffende het al dan niet positief of negatief karakter van nationalisme en ‘identiteit’ of voor het al dan niet voortbestaan van bepaalde staten.

Heimatgevoel

Zoals reeds Aristoteles het, ten dele, formuleerde is de mens van nature uit een sociaal en cultureel wezen. Van geboorte tot dood kan hij zich slechts met de hulp van zijn medemensen in stand houden, en zich dank zij het verwerven van cultuur ontwikkelen. Maar ook om een beeld van zichzelf te krijgen, om een ‘identiteit’ te vinden, moet hij zich als lid van een groep situeren. En hoewel alle mensen biologisch gezien grosso modo gelijk zijn – zogenaamd raciale kenmerken spelen geen echt relevante rol – blijkt het moeilijk om zich in een eerste benadering als een lid van die totale mensheid te ervaren.

Vermoedelijk heeft dat te maken met het feit dat we, doorheen onze persoonlijke ontwikkeling, slechts met een beperkt aantal mensen echte face-to-face contacten hebben. En ook de cultuurelementen die we ons eigen maken zijn die van een groep en kunnen dus als zodanig niet naar de gehele mensheid verwijzen.

Verder hebben we van kindsbeen af een sterke neiging tot het exploreren van de directe omgeving, zowel de natuurlijke als de door mensen omvormde. Die zoektocht, die ons van de ene naar de andere ontdekking brengt, leidt veelal tot een bijzondere band met de eigen stad of streek. Deze binding met de mensen, de taal, het natuurlijke en culturele milieu van onze jeugd, kan men het best als ‘heimatgevoel’ omschrijven.

Sommigen beschouwen dat als een uitvinding van de romantiek, maar reeds in de antieke teksten vinden we het thema van heimwee naar de geboortegrond: zowel Daedalus bij Ovidius als Meliboeus bij Vergilius lijden er onder. Verder ontstaan vanaf de 11de eeuw ook in West-Europa allerlei uitingen van de gehechtheid aan eigen land en volk. Denk aan de mooie formule “suavis Suevorum Suevia” (lieflijk Zwabenland van de Zwaben) en aan de beschrijving van de dood van de held in het ‘Chanson de Roland’: “de plusors choses a remembrer li prist…de dolce France…e des Franceis dont il est si cheriz.” (aan vele dingen kwam bij hem de herinnering op…aan het lieflijke Frankrijk…en aan de Fransen door wie hij zo werd bemind”. We denken uiteraard ook aan du Bellay (Heureux qui comme Ulysse…). Maar bij ons was er al vroeger: “De laude Flandriae” (Lof van Vlaanderen) van Petrus Pictor, even voor 1100. Het gedicht begint met het volgende vers: “Flandria dulce solum, super omnes terra beata” (Vlaanderen lieflijke grond, land boven alle andere zalig) en, zoals verder zal blijken, eindigt het met een verwijzing naar de bewoners.

Er is niets mis met dit ‘heimatgevoel’, deze affiniteit met de mensen en het land waar men geboren en getogen is en er zit ook een positieve waarde in de drang tot identificatie met een groep: de neiging om zich één te voelen met andere mensen; het zich engageren voor een gemeenschap en het besef dat men op die groep rekenen kan. Maar de sympathie voor de volks-, stands-, of geloofsgenoten ging nogal eens gepaard met een minachtende of zelfs vijandige houding tegenover ‘vreemden’. Groepsvorming dreigde dan uit te lopen op een in/out-ervaring en het positieve voor wie ‘in’ is, vond zijn tegenpool in de verwerping van al wie ‘out’ was.

(Terloops, in deze context hebben we het over gemeenschapsidentiteit: het zich in zekere mate één voelen met een groep. De ‘persoonlijke identiteit’ is uiteraard uniek: iedereen is alleen identisch met zichzelf, maar die persoonlijke identiteit bevat elementen die door het gemeenschappelijke zijn bepaald.)

Hoewel in het huidige natiebesef nog aspecten van die prille identificatiedrang aanwezig blijven, zou het toch een vergissing zijn de twee met elkaar te verwarren. De dynamiek van staatsvorming heeft de mensen tot een verruiming en versterking van hun oorspronkelijke gehechtheden aangezet.

Het ontstaan van de naties

Vóór de 18e eeuw was het eerder uitzondering dan regel dat een staat – een domein waarbinnen een unieke soevereine macht wordt uitgeoefend – samenviel met een ‘volk’. Vanaf het begin van de 16de eeuw echter smeedden in een aantal landen sterke dynastieën de feodale vorstendommen tot een hecht geheel samen. Dat had tot gevolg dat gebieden en volkeren die aanvankelijk veel van elkaar verschilden, met een centrale administratie werden verbonden. Zo ontstond ook een netwerk van relaties op administratief, gerechtelijk en commercieel vlak, dat door een wegeninfrastructuur werd versterkt en gaandeweg ook door een dominante bestuurstaal. Uit deze feitelijke eenmaking, en de afbakening tegenover de anderen, groeide een zo sterk besef van interacties en gemeenschappelijke belangen dat, toen in Frankrijk het koningschap – de oorspronkelijke unificerende factor – wegviel, ‘la Nation’ de plaats in kon nemen als grondslag van eenheid en soevereiniteit.

Daar waar de soevereiniteit vroeger geen enkele band had met gevoelens voor het ‘eigen volk’ – de macht lag immers bij de vorst – heeft het uitbouwen van dat complexe relatienetwerk een nieuwe hechte gemeenschap tot stand gebracht die de rol van die vorst zelf op de helling kon zetten.

Het ontstaan van de autonome soevereiniteit van een natie door de breuk met een vorst, vinden we reeds in het Nederlandse Plakkaat van Verlatinghe van 1581. Dat werd in 1776 gevolgd door de Amerikaanse Declaration of Independence en geradicaliseerd in de opeenvolgende stadia van de Franse Revolutie.

Het toenemende besef dat de basis van de soevereine staatsmacht bij ‘de natie’, lag, bracht een zoektocht op gang naar de aard en de fundering van zo’n natie en het criterium voor de afbakening ervan. In Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk lag de oorsprong van dit samenhorigheidsgevoel in de administratieve, economische en andere netwerken die de dynastieën van soevereine vorsten tot stand hadden gebracht.

Criteria voor natiebesef

Ernest Renan zag dan ook de natie – in zijn bekend artikel van 1882 Qu’est-ce qu’une nation?- als een spirituele entiteit die steunt op het besef van een gemeenschappelijke geschiedenis en een gemeenschappelijk project voor de toekomst.

In de landen waar zo’n overkoepelende natiestaat niet was ontstaan, zoals Duitsland en Italië, zocht men de grondslag voor de soevereiniteit in het ‘volk’.

In zijn Reden an die deutsche Nation (1808, Achte Rede) betoogde Johan Gottlieb Fichte dat het volk (vooral het Duitse) een oorspronkelijke, diepe, zelfs goddelijke eenheid vormt, die in de taal en de vaderlandsliefde tot uiting komt. Johan Gottfried Herder (Briefe, van 1792) die minder eenzijdig Duits dacht, vond toch eveneens dat een volk een oorspronkelijk gegeven is, dat wordt bepaald door het territorium met zijn natuurlijke kenmerken, en dat een gemeenschappelijke uiting vindt in de taal.

Maar noch de definitie van Renan, noch die van Herder en Fichte kan de uiteenlopende types van natievorming in de 19de en de 20ste eeuw voldoende verklaren.

Een natie is immers een grote groep mensen die hun ‘identiteit’ zoeken in een gemeenschap die ze, om diverse redenen, als ‘de hunne’ beschouwen. Door die gemeenschappelijke identiteit zouden ze als natie recht hebben op een eigen soevereine politieke structuur (nationalisme-beginsel). We moeten echter vaststellen dat de criteria om zich als ‘één natie’ te ervaren, heel uiteenlopend kunnen zijn. Veelal is het territorium het uitgangspunt, maar de beslissende factor om dit af te bakenen was in Ierland de katholieke godsdienst, in Vlaanderen de taal (“de taal is gansch het volk”); in Griekenland de verwijzing naar eigen geschiedenis, godsdienst en cultuur. Bij de overige Balkanvolkeren gaf nu eens taal, dan weer godsdienst de doorslag. In het joodse nationalisme (Zionisme) was het territorium aanvankelijk slechts een doelstelling, terwijl de joodse godsdienst, een idee van biologische afstamming (joodse moeder) en tevens het antisemitisme de stuwende factoren waren. Bij de naties in andere werelddelen, die in de 19de en de 20ste eeuw ontstonden, bleef men bij het territorium dat door de kolonisatoren was bepaald, zonder rekening te houden met de oude tribale eenheden.

Wat ook het reële uitgangspunt moge zijn, zodra een voldoende aantal mensen zich als ‘natie’ ervaart, wil men met een arsenaal van middelen de specificiteit ervan aantonen om de leden tot identificatie en tot engagement te motiveren. Verwijzingen naar gemeenschappelijke geschiedenis, eenheid van cultuur, solidariteit van belangen en samen geleden onrecht, worden dan met vlijt gezocht, ontdekt, en eventueel gefabriceerd.

Het besef van ‘volkse’ of ‘nationale’ identiteit’ (afhankelijk van de situatie op het vlak van soevereiniteit) heeft een enorme motiverende kracht. Het doet een beroep op de schijnbaar onstilbare hunker van de mens om zich via een groep in de wereld te situeren. Zowel in de propaganda als in de zelfwaardering lijkt het nauw verbonden met hoogstaande ethische houdingen: trouw en onbaatzuchtige inzet voor de ‘volksgenoten’. Door mythische en historische elementen op subtiele wijze door elkaar te weven, slaagt men erin het volk of de natie voor te stellen als een autonome eenheid die de eeuwen trotseert: zo worden alle heldendaden en culturele prestaties een beetje het eigendom van allen. Zolang de natiestaat niet is gevormd, voelt men zich samen verdrukt of belaagd, en zodra die er is, kan de gemeenschap van belangen die een moderne staat kenmerkt, een belangrijke rol spelen naast de meer emotionele vormen van samenhorigheid.

Deze wonderlijke vervlechting van realiteiten met imaginaire en mythische elementen, vormt de diepe grondslag van de dynamiek van het nationalisme. We weten echter dat het geen onschuldige dynamiek is. Daar waar in de 16e en de 17e eeuw ons Continent nog werd geteisterd door godsdienst als groepswaan; zette in de 19de en de 20ste eeuw het nationalisme het in vuur en vlam; en alle leed is nog niet geleden.

Maar uit die ontsporingen mogen we niet besluiten dat het natiebesef alleen maar een gevaar is: zo zouden we de positieve en hoe dan ook onvermijdelijke aspecten ervan miskennen. Heel wat rechtmatige emancipatiebewegingen in de 19de en de 20ste eeuw konden slechts slagen door de nationalistische dynamiek.

De vraag is dus welke aspecten van het natiebesef een solide basis hebben om een legitieme bron van samenhorigheid en solidariteit te kunnen vormen.

Hierbij moeten we beklemtonen dat de complexe netwerken die momenteel de hele wereld overspannen, impliceren dat elke gesloten vorm van nationalisme – ook die welke tot één continent beperkt is – geen toekomst heeft. We evolueren naar een universele solidariteit. Zo’n wereldburgerschap sluit echter meer beperkte vormen van identificatie en samenwerking niet uit, al kunnen ook die gediversifieerd worden: regio, staat, (sub-)continent, wereld.

‘Print capitalism’

Bij de zoektocht naar legitieme vormen van nationalisme biedt de analyse van Benedict Anderson: Imagined Communities Reflections on the Origins and Spread of Nationalism (revised edition 1991) een goede handleiding.

Benedict Anderson

Benedict Anderson

Volgens Anderson is een natie een “imagined political community – and imagined as both inherently limited and sovereign”.

Deze bijzonder rijke definitie betekent het volgende. Het is een gemeenschap die enkel in de voorstelling of verbeelding bestaat: geen enkel lid van die gemeenschap zal ooit een direct contact hebben met de meeste andere leden ervan: men heeft er alleen een beeld of voorstelling van (geen ‘inbeelding’ want de gemeenschap zelf is reëel, in tegenstelling tot wat bv. Ernest Gellner, 1983, suggereert). Die gemeenschap is beperkt: ze valt niet samen met de mensheid, maar is gekenmerkt door grenzen die ze afbakenen tegenover andere naties.

Het is een politieke gemeenschap die een machtsmonopolie heeft in het vastleggen van de regels van het samenleven, en die macht is soeverein: die ligt in de natie zelf en is dus vrij en onafhankelijk van een vorst of van vreemde machten. Dat het een gemeenschap is, houdt in dat er, over alle ongelijkheden heen, een solidariteit en kameraadschap wordt beleefd die zo diep gaat dat miljoenen bereid waren ervoor te doden, maar ook, gedood te worden: Dulce et decorum est pro patria mori: “het is fijn en voortreffelijk voor het vaderland te sterven”.

Ongetwijfeld kan een eeuwenlange gemeenschappelijke administratieve structuur en dus een gemeenschappelijke geschiedenis bijdragen tot het proces van natievorming (zie Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Portugal…). Deze factor werkte niet in Duitsland en Italië: daar speelde de gemeenschappelijke taal blijkbaar een rol, terwijl elders weer de godsdienst centraal stond (Ierland, Servië, Kroatië…).

Maar het probleem is nog ingewikkelder. Anderson wijst erop dat bij de vorming van de Midden- en Zuidamerikaanse staten al deze criteria verstek laten gaan. Deze staten (behalve Brazilië) hingen tijdens de kolonisatie af van dezelfde vorst, die dezelfde wetten en administratieve organisatie oplegde; ze spraken dezelfde taal en beleden dezelfde godsdienst en hun onafhankelijkheidsstrijd was door dezelfde ervaring van verdrukking gemotiveerd. Toch vormden ze van bij het begin van de afscheiding van het moederland afzonderlijke staten met een eigen natiebesef – en een bereidheid voor deze natie te sterven -. Ook enkele – idealistisch opgevatte – grotere eenheden konden geen stand houden: Gran Colombía bv. viel vlug uiteen in Venezuela, Colombia en Ecuador.

De nieuwe staten kwamen wel overeen met de traditionele koloniale entiteiten die een eigen vice-koning hadden met zijn plaatselijke administratie.

De evolutie van deze regio’s tot naties kwam als volgt tot stand. De inrichting van de afzonderlijke deelkolonies was gebaseerd op specifieke geografische factoren die een vrij vlotte interne administratieve en socio-economische communicatie mogelijk maakten, terwijl het verkeer met de andere deelkolonies heel moeilijk was. Dit zou suggereren dat natievorming essentieel door administratieve netwerken wordt bepaald; maar dat kan dan weer de eenwording van Duitsland en Italië niet verklaren.

Een diepere gemeenschappelijke factor ligt volgens Anderson in de wijze van functioneren van wat hij het “print capitalism” noemt.

De commerciële boekdrukkunst – niet gestuurd door de burgerlijke of kerkelijke overheid – richtte zich op de directe noden van een zo breed mogelijk geletterd publiek. Dat stimuleerde het publiceren in de volkstaal (weinigen beheersten het Renaissance-Latijn). Maar toch werd de versplintering in een veelheid van dialecten vermeden door de behoefte aan ruime oplagen, die mogelijk werden door het ontstaan van een literatuur in een dominerend dialect, dank zij de invloed van een reeks eminente schrijvers. De rol die de bijbelvertaling van Luther in Duitsland speelde, en het gebruik van de volkstaal in de eredienst, is overduidelijk. In Italië werd de toon gezet door Dante, Petrarca en Boccaccio en later Ariosto en Torquato Tasso. Vergelijkbare invloeden vinden we overigens in Spanje (Cantar de mio Cid, Cervantes, Lope de Vega, Calderon), in Portugal Camões, en in Frankrijk en Engeland bij een reeks grote auteurs. In Latijns Amerika kwam een plaatselijke boekliteratuur slechts laat op gang, maar daar stond tegenover dat, sinds de tweede helft van de 18de eeuw, de krantendrukpers een aanzienlijk succes kende. Wegens de verkeersproblemen en het actualiteitskarakter van kranten, bleef de verspreiding ervan in essentie beperkt tot het specifieke gebied van de deelkolonies. Het nieuws dat ze brachten had vooral betrekking op plaatselijke personen, groepen en hun belangen. Op de administratieve en socio-economische geslotenheid van de netwerken entte zich deze gesloten ‘informatiegemeenschap’ zodat een ‘imagined community’ ontstond, die samen gebeurtenissen beleefde, gezamenlijke belangen en allerlei onderlinge interacties had. Een gemeenschappelijke verre vorst en ook taal en godsdienst, volstonden niet voor natievorming, omdat de beperkingen van echte communicatie op socio-economisch en informatie-vlak, zowel in de feiten als in de verbeelding, grenzen tot stand brachten. In de onafhankelijkheidsstrijd hadden alle deelkolonies ongetwijfeld analoge aspiraties (denk aan de rol van Bolívar), maar een echt natiebesef kon slechts ontstaan op basis van de interactienetwerken.

Ook Andersons onderzoek van de natievorming in de 20ste eeuw in Afrika en Azië bevestigt de noodzaak van een reële interactie- en communicatiegrondslag.

Van Belgisch naar Vlaams natiegevoel

Deze vaststellingen zijn voor de analyse van de Belgische institutionele problemen van kapitaal belang. Sinds de Bourgondische hertogen waren de vorstendommen van de Nederlanden stilaan tot de 17 Provinciën verenigd. Maar in dezelfde eeuw waarin een gezamenlijke administratie begon te fungeren, scheurde het Noordelijke deel zich af. De Zuidelijke provincies gingen dan samen hun eigen weg, maar de realiteit van twee taalgebieden bemoeilijkte het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur van het gedrukte woord en dus van een volwaardig natiebesef. Dat veranderde toen bij het ontstaan van de soevereine Belgische staat een situatie gegroeid was waarbij de socio-economische en intellectuele elite in de beide deelgebieden bij voorkeur Frans sprak en schreef. Het cijnskiesrecht zorgde ervoor dat ook de politieke macht volledig Franstalig was en deze elite kon – zich tevens baserend op de aanwezigheid van een sterk centraliserend netwerk op socio-economisch en verkeersvlak – een Belgisch natiebesef tot stand brengen.

Door de eerste taalwetten, door de ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog en vooral door de vernederlandsing van het secundair en hoger onderwijs (ca 1930), werd de grondslag gelegd van een geleidelijke ommekeer in deze situatie. De opeenvolgende staatshervormingen (sinds de jaren ’60) in federaliserende richting, vormden in de deelgebieden eigen administratieve netwerken en tevens ontstond in Vlaanderen een socio-economische en intellectuele elite die het Nederlands als gemeenschappelijke taal had.

Wat Anderson ‘print capitalism’ noemt, speelde hier uiteraard ook een rol, maar intussen is met de moderne media een nog veel sterker gemeenschapsvormend mechanisme ontstaan. Dagelijks hebben radio en TV een urenlange impact op de mensen en die is in Vlaanderen hoofdzakelijk beperkt tot de Vlaamse media. Deze media zelf staan in interactie met de dagbladpers en vooral ook met een reeks succesvolle weekbladen die inspelen op wat de Vlaamse radio en TV aanbiedt. De impact van al deze media samen is meer dan het tienvoudige van wat de pers kon teweegbrengen in de naties die Anderson onderzocht. (Uiteraard strekt dit ‘Vlaanderen’ als communicatieve gemeenschap zich uit van De Panne tot Maaseik en heeft het al heel lang niets meer met het Middeleeuwse Vlaanderen te maken.)

Om het heel simpel uit te drukken, VTM en VRT (met hun nieuws en soaps), samen met Dag Allemaal, Humo, Story, enz. hebben (zonder dat te bedoelen) veel meer bijgedragen tot een feitelijke gemeenschappelijke Vlaamse identiteit, dan alle propaganda van Volksunie, Vlaams Blok, NVA enz. samen. Het heeft geen enkele zin deze objectieve feiten te loochenen. Het heeft geen enkele zin te doen alsof een Belgisch natiegevoel, zoals dat bv. in de jaren ’50 bestond, nog altijd in dezelfde mate leeft. Om maar één voorbeeld te geven: meer dan 80% van de aangiften over euthanasie zijn in het Nederlands opgesteld. Dergelijke vormen van grondige verschillen in aanvoelen, zelfs in zeer belangrijke kwesties, zijn legio.

België heeft geen gemeenschap meer die eenzelfde taal spreekt, leest en schrijft, of die met dezelfde reële nieuwsfeiten, commentaren en media-evenementen geconfronteerd wordt . Onderwijs, wetenschap, cultuur, sport, ruimtelijke ordening, milieu en ook enkele economische sectoren in de deelstaten, hebben hun eigen netwerken gevormd en daarnaast zijn een aantal nationale bevoegdheden overgedragen aan Europa. De Belgische staat heeft dus heel wat van zijn feitelijke unificerende, natievormende, mechanismen verloren, terwijl de informatie-netwerken in Vlaanderen nagenoeg exclusief Vlaams zijn (in sommige high brow conferenties vervangen door het Engels).

Bij toepassing van de analyse van Anderson spreekt het dus vanzelf dat het Belgisch natiebesef stilaan plaats maakt voor een Vlaamse ‘imagined community’, kortom, een Vlaamse natie.

– De betekenis hiervan aan Franstalige kant, die complexer is, kan ik hier niet bespreken -. Deze langzame ‘verdamping’ van de Belgische staat is geen ideologische inbeelding maar een feitelijk onomkeerbaar gegeven.

Bij het vaststellen van het reëel karakter van een Vlaamse identiteit en een beginnend natiegevoel is het van kapitaal belang een duidelijk onderscheid te maken tussen een waardevolle vorm van gemeenschapsbeleving en een misvormd nationalisme waarvan we de immorele aspecten moeten uitbannen.

De Vlaamse ‘identiteit’ van elk van ons als individu is geen uniek alles overkoepelend gegeven. Wij vormen een knooppunt in een netwerk van relaties, met een geografische locatie in dit land (grondwettelijk ondersteund door het territorialiteitsbeginsel), maar tevens met links in België, Europa en wereldwijd. Daarnaast hebben we affiniteiten met anderen, bvb. beroepsgenoten of medegelovigen in andere landen, maar tevens zijn we ons bewust van een gemeenschappelijke taal, opvoeding en een reeks gemeenschappelijke belevenissen. De ervaring van zo’n ‘identiteit’ legt ons, zolang we lid van deze gemeenschap blijven, een aantal verantwoordelijkheden en vormen van solidariteit op, die noodzakelijk zijn om deze samenleving goed te laten functioneren. Daartoe behoren, naast het bevorderen van het welzijn van iedereen, ook de zorg voor het behoud en de uitbreiding van alle culturele creaties en het behoud van een waardevol leefmilieu.

Migratie en Vlaams natiegevoel

Zodra we kenmerken die betrekking hebben op ras of afstamming uit de discussie rond volk, staat en cultuur hebben verbannen, kunnen we een aantal verwarringen uit de wereld helpen.

De vraag of iemand bv. tot het Vlaamse volk behoort, hangt dan essentieel af van de mate waarin hij zich de Vlaamse cultuur eigen heeft gemaakt en in het Vlaamse maatschappelijk leven functioneert. Wie zich op het vlak van taalgebruik, denkbeelden, waardeschalen, toetreden tot instituties, enz., als een doorsnee Vlaming voordoet, is ook een Vlaming. Een uitzondering daarop vormen die mensen die met meer dan één cultuur vertrouwd zijn, en één ervan als de hunne beschouwen. Een Congolees die als jonge volwassene naar Vlaanderen gekomen is, en zich de nieuwe cultuur eigen heeft gemaakt, kan zich toch blijven ervaren als een lid van zijn oorspronkelijke cultuur en volk; hij blijft dan bv. een Congolees staatsburger behorend tot de Luba ethnie. Bij veel Marokkanen en Turken die als migrant (eerste generatie) naar Vlaanderen gekomen zijn is de assimilatie met de nieuwe cultuur niet zover gevorderd; ze blijven dus cultureel en ethnisch, Berbers, Turken enz.. Hun kinderen echter, die hier geboren zijn en school gelopen hebben, zijn volledig in onze cultuur ondergedompeld en behouden nog slechts enkele flarden van de cultuur van hun ouders. De cultuur van deze kinderen is de Vlaamse (als deelcultuur van de Westeuropese). En aangezien het Vlaming zijn cultureel wordt gedefinieerd, zijn ze in de volle zin van het woord lid van het Vlaamse volk. Ze zijn uiteraard met de problemen van ‘multiculturaliteit’ geconfronteerd, omdat zij als Vlamingen, in een bijzondere relatie staan met mensen van een andere cultuur nl. met hun ouders.

Men kan natuurlijk een alternatieve stelling verdedigen en betogen dat migranten uit een vreemde cultuur (bv. Berbers) het recht hebben hier als groep, als leden van de Berber-ethnie verder te leven, trouw aan hun eigen cultuur. Een voorbeeld van zo’n etnische en culturele afzondering vindt men bij de Amisch in Pennsylvania en, zij in mindere mate, bij gemeenschappen van Chassidische Joden in Antwerpen en New York. De Berbers in Vlaanderen lijken echter helemaal niet de bedoeling te hebben op die wijze hun oorspronkelijke cultuur in stand te houden. Ze schermen zich niet af van de vloed van ‘westerse’ informatie die op hen afkomt. Hun kinderen worden via het onderwijs in de Westerse wetenschap, denkwereld en waardeschalen ingewijd en maken zich vertrouwd met alle vormen van comfort die de moderne samenleving te bieden heeft. De kans dat hun kinderen de taal van hun ouders of grootouders zouden leren met alle nuances en visies op wereld en maatschappij die daarin verwerkt zitten, is te verwaarlozen, ook al omdat het natuurlijk en sociaal milieu waarin ze functioneren, nu totaal verschillend is.

Een tweede bedenking kan als volgt luiden: ook al gaat een groot gedeelte van de oorspronkelijke cultuur verloren, toch is wat overblijft op het gebied van godsdienst, van normen en waarden betreffende het sociale leven, zo belangrijk, dat men dat toch een aparte cultuur kan blijven noemen. Zodra die godsdienst en die waardeschalen echter zo worden opgevat dat ze noch met wetenschappelijke resultaten (bv. evolutietheorie), noch met de rechten van de mens in conflict komen (bv. rechten van vrouwen en kinderen), wijken ze niet méér af van de algemeen Vlaamse of Westerse dan die van katholieken, protestanten en ongelovigen onderling. Indien die godsdienst en waardeschalen wel van de bovenvermelde ‘universele standaarden’ afwijken, is dat zeker geen vorm van ‘multiculturaliteit’ die aanbeveling verdient. Ook voor de wereldgemeenschap als echte ‘multiculturele samenleving’, (waar afzonderlijke samenhangende culturen zoveel mogelijk bescherming verdienen) moeten we immers een bevoorrechte positie van de universalia van wetenschap en mensenrechten verdedigen.

Bij Vlamingen met Turkse of Marokkaanse ouders zal veelal een streven aanwezig blijven om in diverse aspecten van hun individueel en sociaal leven bij die cultuur van die ouders aansluiting te zoeken: belangstelling voor de taal en de culturele uitingen van hun ethnie, het in ere houden van zekere gebruiken, wijzen van feestvieren, bruiloften, eetgewoontes, enz.. Dergelijke vormen van diversiteit kunnen uiteraard tot een verrijking van de Vlaamse cultuur bijdragen: niemand vindt het een ramp dat de Franse, de Italiaanse, en de Chinese keuken bij ons werden ingevoerd. Het heeft echter weinig zin op die diffusie van cultuurelementen de term ‘multiculturele samenleving’ toe te passen: deze inbreng is, wat de impact betreft, op verre na niet vergelijkbaar met die van de Angelsaksische cultuur op onze communicatiemedia en ons alledaags leven; en niemand spreekt in dat geval van ‘multiculturele samenleving’.

Wanneer we de kinderen van migranten uit vreemde culturen niet als volwaardige Vlaming zouden beschouwen, hoewel zij totaal in onze cultuur zijn opgenomen, zullen zij genoodzaakt zijn een andere identiteit te zoeken. En aangezien zij voor altijd van de totale cultuur van de ethnie van hun ouders vervreemd zijn, kan alleen de godsdienst deze plaats innemen. Die godsdienst heeft dan niet meer alleen de gangbare functie van persoonlijke zingeving en vertroosting: zij mobiliseert alle krachten die oorspronkelijk op identificatie met cultuur, ethnie en natie werden gericht.

Dit proces kan tot een nieuw belangrijk probleem leiden in verband met cultuur en nationalisme. We herinneren aan de behoefte die zoveel mensen voelen om, via het toebehoren tot een groep, een ‘identiteit’ te zoeken. Als dit streven naar een identiteit zich op een godsdienst richt en daarmee drijfveren en mechanismen mobiliseert die in een normale godsdienstbeleving niet voorkomen, dan wordt een grondslag van fanatisme gelegd.

Alle ontsporingen die typisch zijn voor de uitwassen van nationalisme, komen dan in deze fundamentalistische vormen van godsdienstbeleving terug. Hoe groter de ontgoocheling om de uitstoting was, des te intenser zal ook de identificatie met de nieuwe groep zijn.

Deze ontwikkelingen zijn niet onafwendbaar. We moeten consequent aanvaarden dat toebehoren tot een volk in hoofdzaak afhankelijk is van cultuurelementen en van institutionele relaties. Bij ons zijn die Vlaams, Belgisch en Europees. Pas een doordachte politiek die in rechte en in feite de (gediversifieerde) samenhorigheid bevordert, kan tot gevolg hebben dat we de frustraties van uitstoting en de identiteitscrisissen die ermee gepaard gaan, grotendeels vermijden.

We kunnen niet genoeg beklemtonen dat, voor het grootste deel van wat men in de brede betekenis ‘cultuur’ noemt, de kinderen van allochtonen die hier opgevoed zijn nauwelijks van ons verschillen: ze staan in dezelfde relatie met onze ‘heimat’, onze vorming en onderwijs, en onze medemensen. Ze hebben dus in de volle zin van het woord een Vlaamse identiteit en degenen die hen voorhouden dat ze op grond van biologische afstamming (op raciale grond dus) tot een ander (bv. Arabisch) volk zouden behoren, baseren zich op dezelfde achterlijke maatschappijvisie en ethiek als het Vlaams Blok.

We moeten beschaamd toegeven dat uitsluiting door ons, autochtonen, hen eveneens in de verkeerde richting drijft; wij vooral moeten dus garanderen dat de ‘nieuwe’ Vlamingen zich in alle opzichten als volwaardige medeburgers ervaren.

Ooit zullen ook zij dan in volle authenticiteit het vers van Petrus Pictor tot het hunne kunnen maken, daar waar hij in zijn laatste strofe de wens uitdrukt:

“Flandria mitto vale, pia Flandria terra piorum;

Mitto remitto vale, bona Flandria, terra bonorum;

Rursus mando vale, proba Flandria, terra proborum”:

(het ga u goed, minzaam Vlaanderen, land van minzamen… goed Vlaanderen, land van de goeden…, rechtschapen Vlaanderen, land van rechtschapenen); een strofe die als volgt eindigt:

“mando remando vale, mea Flandria terra meorum.”

“ik wens en ik wens u opnieuw, vaar goed, mijn Vlaanderen, land van de mijnen.”

Heeft België nog een kans?

Dat bestaan van een Vlaamse identiteit en een natiegevoel hoeft niet noodzakelijk te leiden tot het opheffen van de Belgische staat: er zijn ook nog reële Belgische netwerken (de verkeersstructuur bv. lijkt nog altijd op Brussel gericht). Unificerende tendensen moeten overigens niet meer noodzakelijk steunen op een traditioneel natiebesef (bv. Verenigd Europa bestaat ook zonder zo’n besef).

Een afgeslankte Belgische staat zou dus zonder horten en stoten als (con-)federatie kunnen functioneren, ware het niet dat enkele diepgaande conflicthaarden een harmonisch samenleven onmogelijk dreigen te maken.

Een eerste probleem is dit van de taalgrens. In 1932 hebben de Franstaligen het principe van algemene tweetaligheid afgewezen.

Dat leidde tot de aanvaarding van twee eentalige gebieden en het tweetalige Brussel. Men stelde na de Tweede Wereldoorlog vast dat door de uitbreiding van Brussel eentalig Vlaamse gemeenten stilaan Franstalig werden en de taalgrens dus ten nadele van Vlaanderen verplaatst werd. Na veel twisten werd in 1962-1963 de taalgrens definitief vastgelegd en in 1970 in de grondwet ingevoerd. Daaruit volgt dat mensen die zich in Vlaanderen of Wallonië vestigen, bereid moeten zijn zich aan de taal van het gebied aan te passen voor alles wat met openbare diensten te maken heeft. Vlamingen in Wallonië doen dat probleemloos, Franstaligen in de rand rond Brussel doen dat meestal niet en hopen, als zij de meerderheid zullen vormen, de taalgrens weer te wijzigen. Dat diepe meningsverschil: het grondwettelijk vastgelegde ‘territorialiteitsbeginsel’,(droit du sol) tegenover het ‘personaliteitsbeginsel’ (droit des gens) vormt de basis van de problemen in Vlaams Brabant. Deze conflictstof is sterk vergelijkbaar met het Engels-Franse taalprobleem in Montreal.

Een tweede probleem heeft te maken met de economische achterstand van Wallonië en de dramatische werkloosheid en armoede die eruit voortvloeien. De sociale voorzieningen kunnen in Wallonië slechts blijven bestaan dank zij aanzienlijke financiële transfers van Noord naar Zuid. Deze solidariteit op het sociaal vlak zou normaal geen probleem moeten stellen, maar ze wordt in het gedrang gebracht door het besef bij de Vlamingen dat de Franstaligen geen politieke solidariteit in omgekeerde richting wensen op te brengen in verband met het respect voor het territorialiteitsbeginsel.

Daar komt nog bij dat in veel politieke, wereldbeschouwelijke en economische dossiers een meerderheid van de Franstaligen systematisch andere standpunten inneemt dan een meerderheid van de Vlamingen. Die interpreteren de Waalse achterstand overigens ook als een gevolg van ‘achterhaalde’ ideologische visies (naast partij-cliëntelisme) en wensen een grotere autonomie om de eigen regio efficiënter te kunnen besturen. Dat wordt dan weer door de Walen ervaren als een afwijzen van de interpersoonlijke sociale solidariteit.

Het Vlaams Parlement heeft met een grote meerderheid een reeks eisen geformuleerd (1999) en socialisten, liberalen en christen-democraten hebben die in de Vlaamse regeringsverklaring (2004) opgenomen. Tijdens de verkiezingsstrijd van 2007 hebben de christen-democraten die heel scherp geformuleerd en dat leidde tot een electoraal succes. De Franstalige, begrijpelijk polariserende, reactie hierop heeft de onderlinge tegenstellingen tussen Noord en Zuid aanzienlijk doen toenemen, zodat een oplossing momenteel niet in zicht lijkt.

Om uit de impasse te geraken is het onmisbaar dat alle partijen tot een minimale objectieve analyse van de realiteit komen. Een neutrale toepassing van de benaderingswijze van Anderson leert ons dat het Belgisch natiebesef zoals dat tot rond de jaren ’50 in beide landsdelen nog bij een meerderheid gangbaar was, in Vlaanderen nog nauwelijks bestaat. De imagined community is daar, niet door ideologische propaganda, maar door ontwikkelingen in de feiten zelf, in de eerste plaats de Vlaamse gemeenschap. Dat veranderde natiebesef in Vlaanderen heeft het Belgische niet volledig opgeheven, maar wel reëel verzwakt. Het minimum aan inzicht dat men daaruit af kan leiden is dat de Belgische eenheid niet bestand zal blijven tegen het voortduren van een conflictsituatie. Rekening houden met deze feitelijke gegevens vormt een eerste voorwaarde om tot echte onderhandelingen te komen.

Beide partijen moeten inzien dat de Belgische natie weliswaar haar vanzelfsprekend karakter verloren heeft, maar eventueel toch nog een project kan zijn van mensen die, met inachtneming van hun gezamenlijk verleden, ook in de toekomst een zekere eenheid willen bewaren. Zelfs de ‘sociale solidariteit’ is geen evidentie meer, maar kan wel blijven bestaan als men ook op andere gebieden, zoals het territorialiteitsbeginsel en de fiscale verantwoordelijkheid van de deelstaten, tot een overeenkomst kan komen. Als de Franstaligen zich bij hun appreciatie van het taalprobleem zouden laten inspireren door hun taalgenoten in Québec, dan zou al heel wat zijn gewonnen. Aan Vlaamse kant zou men keiharde garanties moeten bieden voor een langdurige interpersoonlijke solidariteit. Een beperkte aanpassing van de grenzen van Brussel, in ruil voor het afschaffen van de niet-uitdovende faciliteiten, en een bijzondere opvang voor de Europese ambtenaren, kan eveneens in de balans van de onderhandelingen worden gelegd.

Als men geen enkel Belgisch gegeven nog als evidentie beschouwt, maar het oog richt op een toekomst waarbij vanuit een tabula rasa, nieuwe, eventueel verregaande toenadering wordt gezocht, kan een project ontstaan waarbij geen verliezers en alleen maar winnaars te voorschijn komen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op 27/03/2009 door in History, NL, Politics en getagd als , , , , , , , , .

The precautionary principle

The precautionary principle or precautionary approach to risk management states that if an action or policy has a suspected risk of causing harm to the public or to the environment, in the absence of scientific consensus that the action or policy is not harmful, the burden of proof that it is not harmful falls on those taking an action.

Categorieën

Fotos in Heirniswijk genomen

Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

Archief

Blog Stats

  • 12,358 hits

Sitemeter

%d bloggers liken dit: